Eerste Paasdag

Na deze woorden blies Hij over hen heen en zei: ‘Ontvang de heilige Geest.’
Johannes 20: 221

Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria van Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen voor het graf was weggehaald. 2Ze liep snel weg, naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze Hem nu neergelegd hebben.’ 3Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. 4Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. 5Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. 6Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, 7en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. 8Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. 9Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat Hij uit de dood moest opstaan. 10De leerlingen gingen terug naar huis.
11Maria stond bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, 12en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. 13‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem hebben neergelegd.’ 14Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 15‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u Hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u Hem hebt neergelegd, dan kan ik Hem meenemen.’ 16Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dit Hebreeuwse woord betekent ‘meester’.) 17‘Houd Me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zeg tegen hen dat Ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ 18Maria van Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat Hij tegen haar gezegd had.
19Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar; uit angst voor de Joden hadden ze de deuren op slot gedaan. Jezus kwam in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij met jullie!’ 20Na deze woorden toonde Hij hun zijn handen en zijn zij. De leerlingen waren blij omdat ze de Heer zagen. 21Nog eens zei Jezus: ‘Vrede zij met jullie! Zoals de Vader Mij heeft uitgezonden, zo zend Ik jullie uit.’ 22Na deze woorden blies Hij over hen heen en zei: ‘Ontvang de heilige Geest. 23Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’
(Johannes 20: 1-23)

 Op de paasochtend zagen Maria, Petrus en Johannes dat het graf leeg was, het lichaam van de Heer was er niet meer. De opstanding uit de dood. Halleluja. Na de ontmoeting tussen Maria en Jezus kwam Hij bij de leerlingen en zei: ‘Ik wens jullie vrede. Zoals de Vader mij gezonden heeft, zo zend ik jullie uit.’ Na deze woorden blies Hij over hen heen en zei: ‘Ontvang de heilige Geest.’ Jezus gaf de heilige Geest door aan zijn leerlingen. Ook vandaag inspireert de Geest ons om op weg te gaan met het evangelie. We mogen erop vertrouwen dat de Geest de kerk brengt waar mensen zijn, midden in het leven. De heilige Geest waaiert breed uit, binnen en buiten de kerk. Laat je op de paaszondag en in de komende tijd verrassen door de werking van de heilige Geest!

Schikking
Een feestelijke schikking moest het worden. Met narcissen. De narcis die als het ware het nieuwe leven belichaamt, symbool van de lente. Naast de narcissen staan bloeiende bloesems in de waaier.

 

Witte Donderdag

Jezus legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. (Johannes 13: 4 en 5)

1Het was kort voor het pesachfeest. Jezus wist dat zijn tijd gekomen was en dat Hij uit de wereld terug zou keren naar de Vader. Hij had de mensen die Hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan. 2Jezus en zijn leerlingen hielden een maaltijd. De duivel had intussen Judas, de zoon van Simon Iskariot, ertoe aangezet om Jezus uit te leveren. 3Jezus, die wist dat de Vader Hem alle macht had gegeven en dat Hij van God was gekomen en weer naar God terug zou gaan, 4stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om 5en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen, en droogde ze af met de doek die Hij omgeslagen had. 6Toen Hij bij Simon Petrus kwam, zei deze: ‘U wilt toch niet mijn voeten wassen, Heer?’ 7Jezus antwoordde: ‘Wat Ik doe, begrijp je nu nog niet, maar later zul je het wel begrijpen.’ 8‘O nee,’ zei Petrus, ‘míjn voeten zult U niet wassen, nooit!’ Jezus zei: ‘Als Ik ze niet mag wassen, kun je niet bij Mij horen.’ 9‘Dan niet alleen mijn voeten, Heer,’ antwoordde Simon Petrus, ‘maar ook mijn handen en mijn hoofd!’ 10Hierop zei Jezus: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij is al helemaal rein. Jullie zijn dus rein – maar niet allemaal.’ 11Hij wist namelijk wie Hem zou uitleveren, daarom zei Hij dat ze niet allemaal rein waren.

12Toen Hij hun voeten gewassen had, deed Hij zijn bovenkleed aan en ging weer naar zijn plaats. ‘Begrijpen jullie wat Ik gedaan heb?’ vroeg Hij. 13‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen Mij, en terecht, want dat ben Ik ook. 14Als Ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen. 15Ik heb een voorbeeld gegeven; wat Ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen.
(Johannes 13:1-15)

 Probeer de voetwassing voor je te zien: Jezus legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die Hij omgeslagen had. Wat een gebaar. De meester neemt de gestalte van een dienstknecht aan.

Het dienen van medemensen in deze vorm gebeurt ook in onze tijd: door al die trouwe medewerkers in de thuiszorg en ziekenhuizen; door diakenen en gemeenteleden die de tijd nemen voor kwetsbare medemensen; door vrijwilligers in hospices; door vrijwilligers van taallessen voor statushouders. Een enkele keer vertellen zij over hun motivatie en liefdevoor de medemens. Dat zijn toch tekenen van de werking van de Geest. We zien dat de Geest de kerk brengt waar mensen zijn, midden in het leven.

Schikking
De voetwassing wordt gesymboliseerd met water, een doek en bloeiende viooltjes. Het kleine viooltje wordt vaak geassocieerd met de drie-eenheid vanwege de drie kleuren, zoals bij de iris. In de middeleeuwse miniaturen in de Bijbel zie je vaak het viooltje getekend als symbool voor nederigheid. Het witte viooltje symboliseert het onschuldige, het zachtmoedige.

 

6e zondag – Veertigdagentijd

Hosanna voor de Zoon van David. Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer.
(Matteüs 21: 9)
Toen ze Jeruzalem naderden en bij Betfage op de Olijfberg kwamen, stuurde Jezus twee leerlingen eropuit 2met de opdracht: ‘Ga naar het dorp dat daar ligt. Zodra je het binnenkomt, zul je een ezelin vinden die daar vastgebonden staat met haar veulen. Maak de dieren los en breng ze bij Me. 3En als iemand jullie iets vraagt, antwoord dan: “De Heer heeft ze nodig.” Dan zul je ze meteen meekrijgen.’ 4Dit is gebeurd omdat in vervulling moest gaan wat door de profeet gezegd is: 5‘Zeg tegen vrouwe Sion: “Kijk, je koning is in aantocht, Hij is zachtmoedig en rijdt op een ezelin en op een veulen, het jong van een lastdier.”’
6De leerlingen gingen op weg en deden wat Jezus hun had opgedragen. 7Ze brachten de ezelin en het veulen mee, legden er mantels overheen en Jezus ging erop zitten. 8Vanuit de menigte spreidden velen hun mantels op de weg uit, anderen braken takken van de bomen en spreidden die uit op de weg. 9De talloze mensen die voor Hem uit liepen en achter Hem aan kwamen, riepen luidkeels: ‘Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer. Hosanna in de hoogste hemel!’
10Toen Hij Jeruzalem binnenging, raakte de hele stad in rep en roer. ‘Wie is die man?’ wilde men weten. 11Uit de menigte werd geantwoord: ‘Dat is Jezus, de profeet uit Nazaret in Galilea.’
(Matteüs 21:1-11)

 De intocht in Jeruzalem. Jezus wordt toegejuicht: ‘Hosanna, de zoon van David. Gezegend Hij die komt in de naam van de Here.’ Blinden en verlamden werden genezen. Toen Hij Jeruzalem introk, raakte de hele stad in rep en roer. Wat een enthousiasme. Jezus weet watzijn bestemming is. Hij rijdt op een ezelin Jeruzalem binnen.
We leven in onze tijd: met onrecht, lijden en toenemende zorgen over wat er in de wereld gebeurt. Met hoopvolle tekenen van geloof, hoop en liefde. Soms in het klein, soms groter. We blijven vertrouwen en geloven dat de Geest de kerk brengt waar mensen zijn, midden in het leven. De heilige Geest waaiert breed uit, binnen en buiten de kerk. Willen we openstaan voor de tekens van de Geest uit onze omgeving? Willen we, op de drempel van de stille week, op deze zondag God uitbundig danken voor de gegeven liefde, zijn Zoon Jezus Christus.

Schikking
De rode takken van vorige week zijn blijven staan. Ook in deze lezing speelt de liefde van de Geest een belangrijke rol, binnen en buiten de kerk. De hoop wordt verbeeld in bloembollen, teken van de komende lente en in de groene kleur. Groen is de kleur voor een goede toekomst. De palmbladeren worden tussen de takken van de waaier geklemd als teken van de feestelijke intocht. Tijdens het  fotograferen zagen we eigenlijk pas de V-vorm in het blad, teken voor vrede.

5e zondag – Veertigdagentijd

Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven.’
Johannes 11: 25
Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zus Marta woonden – 2dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer. 3De zussen stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’ 4Toen Jezus dit hoorde zei Hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’
17Toen Jezus daar aankwam, hoorde Hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. 18Betanië ligt dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie, 19en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was. 20Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze Hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. 21Marta zei tegen Jezus: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. 22Maar zelfs nu weet ik dat God U alles zal geven wat U vraagt.’ 23Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ 24‘Ja,’ zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’ 25Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, 26en ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ 27‘Ja, Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat U de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’28Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zus Maria apart en zei: ‘De meester is er, en Hij vraagt naar je.’ 29Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe, 30die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta Hem tegemoet was gekomen. 31Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te weeklagen.32Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en Hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als U hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’ 33Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en Hij ergerde zich. Diep bewogen 34vroeg Hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’ 35Jezus begon te huilen, 36en de Joden zeiden: ‘Wat heeft Hij veel van hem gehouden!’ 37Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, Hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’ 38Weer ergerde Jezus zich. Hij liep naar het graf, een spelonk met een steen voor de opening. 39Hij zei: ‘Haal de steen weg.’ Marta, de zus van de dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’ 40Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’ 41Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek Hij omhoog en zei: ‘Vader, Ik dank U dat U Mij hebt verhoord. 42U verhoort Mij altijd, dat weet Ik, maar Ik zeg dit ter wille van al deze mensen hier, opdat ze zullen geloven dat U Mij gezonden hebt.’ 43Daarna riep Hij luid: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ 44De dode kwam tevoorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek. Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’
(Johannes 11, 1-4, 17-44)

De opwekking van Lazarus uit de dood is een voorteken van wat een paar weken later met Jezus zou gaan gebeuren: lijden, dood en opstanding! Toen werden zijn woorden ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal eeuwig leven’ werkelijkheid. De meesten van ons herkennen zich vast in de houding van Marta en Maria. Zij vertrouwden weliswaar op Jezus, maar durfden niet te geloven dat Jezus hun broer zou opwekken uit de dood. Jezus was diep bewogen en handelde in de geest van zijn Vader. Lazarus mocht samen met zijn zussen nog langer op aarde leven. Tot hun verbazing zagen Marta en Maria op de meest onverwachte plek iets van Gods koninkrijk.
Staan we in onze tijd open voor het onverwachte van Gods koninkrijk?

Schikking
Bewogenheid, zorg voor elkaar en zorg om elkaar, daar gaat dit verhaal over. Handelen uit bewogenheid is als handelen uit liefde, het goede willen doen. In de grote vaas worden daarom rode kornoeljetakken geplaatst. De sierlijke bloemen van het gebroken hartje lijken op verdriet en vreugdetranen. De geurende bloeiende bloemen van de skimmia versterken de onverwachte vreugde. In Azië is de symbolische betekenis van deze bloem liefde in verbondenheid. De bloemen van de rode scabiosa (duifkruid) zijn toegevoegd aan de takken als teken van liefde en de geest.

4e zondag – Veertigdagentijd

Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht voor de wereld (Johannes 9:5)
1In het voorbijgaan zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was. 2Zijn leerlingen vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ 3‘Hij niet en zijn ouders ook niet,’ was het antwoord van Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden. 4Zolang het dag is, moeten we het werk doen van Hem die Mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan niemand iets doen. 5Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht voor de wereld.’ 6Na deze woorden spuwde Hij op de grond. Met het speeksel maakte Hij wat modder, Hij streek die op de ogen van de blinde 7en zei tegen hem: ‘Ga u wassen in het badhuis van Siloam.’ (Siloam is in onze taal ‘gezondene’.) De man ging weg, waste zich, en toen hij terugkwam kon hij zien. 8Zijn buren en de mensen die hem kenden als bedelaar zeiden: ‘Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’ 9De een zei: ‘Ja, die is het,’ en de ander: ‘Nee, maar hij lijkt er wel op.’ De man zelf zei: ‘Ik ben het echt.’ 10Toen vroegen ze: ‘Hoe zijn je ogen opengegaan?’ 11Hij zei: ‘Iemand die Jezus heet, maakte wat modder, streek die op mijn ogen en zei: “Ga naar Siloam om u te wassen.” Ik ging erheen, en toen ik me gewassen had kon ik zien.’ 12Ze vroegen: ‘Waar is die man?’ ‘Dat weet ik niet,’ zei hij.13Toen namen ze de man die blind geweest was mee naar de farizeeën.

 26Ze drongen aan: ‘Wat heeft Hij met je gedaan? Hoe heeft Hij je ogen geopend?’ 27‘Dat heb ik u toch al verteld,’ zei hij, ‘maar u luistert niet! Wat wilt u nog meer horen? Wilt u soms leerling van Hem worden?’ 28Nu vielen ze tegen hem uit: ‘Je bent zelf een leerling van Hem! Wij zijn leerlingen van Mozes. 29Van Mozes weten we dat God met hem gesproken heeft, maar van deze man weten we niet waar Hij vandaan komt.’ 30De man antwoordde: ‘Wat vreemd dat u niet begrijpt waar Hij vandaan komt, terwijl Hij mijn ogen geopend heeft. 31We weten dat God niet naar zondaars luistert, maar wel naar iemand die vroom is en zijn wil doet. 32Dat iemand de ogen opent van een man die blind geboren is – dat is nog nooit vertoond! 33Als die man niet van God kwam, zou Hij dit toch niet hebben kunnen doen?’ 34Toen riepen ze: ‘Jij, sinds je geboorte een en al zonde, wil jij ons de les lezen?’ En ze joegen hem weg. 35Jezus hoorde dat en zocht hem op. Hij vroeg: ‘Gelooft u in de Mensenzoon?’ 36‘Als ik wist wie het was, heer, zou ik in Hem geloven,’ zei hij. 37‘U kijkt naar Hem en u spreekt met Hem,’ zei Jezus. 38Toen zei de man: ‘Ik geloof, Heer,’ en hij wierp zich voor Jezus neer. 39Jezus zei: ‘Ik ben in de wereld gekomen om het oordeel te vellen. Dan zullen zij die niet zien, zien en zij die zien, zullen blind worden.’
(Johannes 9, 1-13, 26-39)

 De blindgeborene wordt op wonderbaarlijke wijze genezen. Hij volgt de opdracht van Jezus en wast zichzelf. Dan kan hij weer zien. Jezus was gekomen om het werk van God zichtbaar te maken en het licht van de wereld te zijn. Letterlijk en figuurlijk. Blijkbaar stonden sommige buren van de blindgeborene en anderen niet open voor het wonder. Ze geloofden het niet. Sommigen herkenden Hem niet eens. Vreemd. Verstonden zij de tekenen van Jezus niet? Stonden zij niet open voor de verrassende werking van de Geest? De blindgeborene getuigde dat Jezus hem genezen had en daagde de anderen uit om leerling van Jezus te worden.
Laten we in onze rationeel ingestelde tijd het onmogelijke voor mogelijk blijven houden. De heilige Geest waaiert breed uit, binnen en buiten de kerk. Willen we ons laten verrassen?

Schikking
Het zichtbaar maken van het werk van God kan met wit bloeiende bloesemtakken die in de grote vaas worden geplaatst en die verbinding maken met de waaier. Veel bloesems zijn familie van de roos, een vijftallige bloem. Het getal 5 is het getal van de mens, de mens met zijn 5 zintuigen. Met die zintuigen kunnen we de ander zien, voelen en horen. Bloesems zijn bedoeld om vruchten te dragen, vruchten die ook door het doorwerken van de Geest kunnen ontstaan. In het kleine vaasje is een witte kaars geplaatst, teken voor het licht van de wereld.

3e zondag Veertigdagentijd

Jezus verliet Judea en ging weer naar Galilea. Daarvoor moest hij door Samaria heen.(Johannes 4: 3 en 4)

Toen Jezus hoorde dat aan de farizeeën verteld werd dat Hij meer leerlingen maakte en er ook meer doopte dan Johannes 2– Jezus doopte overigens niet zelf, zijn leerlingen deden dat –, 3verliet Hij Judea en ging weer naar Galilea. 4Daarvoor moest Hij door Samaria heen. 5Zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had, 6waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten; het was rond het middaguur. 7Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef Mij wat te drinken.’ 8Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. 9De vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt U, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!’ (Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om.) 10Jezus zei tegen haar: ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u Hém erom vragen en dan zou Hij u levend water geven.’ 11‘Maar heer,’ zei de vrouw, ‘U hebt geen emmer, en de put is diep – waar wilt U dan levend water vandaan halen? 12U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.’ 13Jezus antwoordde: ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen, 14maar wie het water drinkt dat Ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat Ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’ 15‘Geef mij dat water, heer,’ zei de vrouw, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.’ 16Toen zei Jezus tegen haar: ‘Ga uw man eens roepen en kom dan weer terug.’ 17‘Ik heb geen man,’ zei de vrouw. ‘U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt,’ zei Jezus, 18‘u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar.’ 19Daarop zei de vrouw: ‘Ik begrijp dat U een profeet bent, heer. 20Onze voorouders vereerden God op deze berg, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.’ 21‘Geloof Me,’ zei Jezus, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. 22Jullie vereren wat je niet kent, wij vereren wat we kennen; de redding komt immers van de Joden. 23Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, Hem aanbidt vervuld van Geest en waarheid. De Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden, 24want God is Geest, dus wie Hem aanbidt, moet dat doen vervuld van Geest en waarheid.’ 25De vrouw zei: ‘Ik weet wel dat de messias zal komen,’ (dat betekent ‘gezalfde’) ‘wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen.’ 26Jezus zei tegen haar: ‘Ik ben het, degene die met u spreekt.’
(Johannes 4, 1-26)

 Jezus kiest een ongebruikelijke route. Op het stille middaguur ontmoet Hij de Samaritaanse vrouw bij de bron. Zij had haar redenen om op dat middaguur water te putten. Jezus vraagt haar om water voor Hem te putten. Ze raken in gesprek. Hij vertelt haar over het levende water. Het wordt een echte ontmoeting.
Soms worden we verrast door een ontmoeting met een onbekende. De Geest leidt ons naar verrassende plekken en mensen. Op een vakantie, in de trein in gesprek met degene die tegenover je zit, een nieuwe buurvrouw of buurman in het dorp of in de straat. Ontmoetingen zijn betekenisvol wanneer je de tijd neemt voor elkaar, oprecht nieuwsgierig bent, luistert, en vanuit jouw kant vertelt over je eigen leven en je geloof in God. Laat je leiden door de Geest en sta open voor ontmoetingen.

 Schikking
De ontmoeting bij de bron staat centraal in deze schikking. De grote vaas is gevuld met water en irissen en de middelgrote vaas met water als verwijzing naar de bron. De iris is driekleurig en is een drietallige bloem, een verwijzing naar de Vader, de Zoon en de heilige Geest.
De kleuren van iris zijn blauw, wit en geel.
Blauw – de kleur van de lucht, de hemel en het water;
wit – de kleur van de onschuld
en geel – de kleur van het goddelijke.

2e zondag Veertigdagentijd

Jezus nam Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op.(Matteüs 17: 1)
1Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze alleen waren. 2Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante, zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. 3Plotseling verschenen aan hen Mozes en Elia, die met Jezus in gesprek waren. 4Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als U wilt zal ik hier drie tenten maken, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.’ 5Hij was nog niet uitgesproken of een stralende wolk overdekte hen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde. Luister naar Hem!’ 6Toen de leerlingen dit hoorden, werden ze overvallen door een hevige angst en wierpen ze zich ter aarde. 7Jezus kwam dichterbij, raakte hen aan en zei: ‘Sta op, wees niet bang.’ 8Ze keken op en zagen niemand meer, Jezus was alleen.9Toen ze de berg afdaalden, gebood Jezus hun: ‘Praat met niemand over wat jullie hebben gezien voordat de Mensenzoon uit de dood is opgewekt.’
(Matteüs 17: 1-9)

Het leven bestaat uit hoogte- en dieptepunten. Uit bergen en dalen. Op een berg kun je beter terugkijken op de weg die je bent gegaan en op de weg die je wilt gaan. Op een berg heb je uitzicht over jouw leven. Jezus en zijn leerlingen gaan een hoge berg op en ontmoeten twee grote profeten. Mozes en Elia gingen in gesprek met Jezus. Ze hebben vast en zeker gesproken over de weg van Jezus. Vermoedelijk hebben Mozes en Elia Jezus ondersteund in het kiezen van zijn bestemming.
In Nederland hebben we geen bergen, maar we kunnen het af en toe wel ‘hogerop’ zoeken: op een stille plek God vragen om ons leven te leiden en de bestemming van ons leven overdenken. Openstaan voor stemmen en verhalen uit de Bijbel. Openstaan voor de weg van de Geest.

Schikking
In de teksten van dit jaar worden Petrus, Jakobus en Johannes genoemd voor de namen van de drie profeten. Deze schikking richt zich niet op de profeten op de berg maar op de metgezellen van Jezus. De grote vaas is gevuld met water, bloemen en wilgentakken. Zand en stenen benadrukken de berg. De zuidenwindlelie doet ergens denken aan een vogelnestje waarin telkens een bloemetje zich opent. Een andere naam voor deze bloem is vogelmelk. De bloem staat symbool voor onschuld en zuiverheid; de intenties van de drie metgezellen waren goed. De bandwilg wordt geassocieerd met groeien en vertrouwen. Een wilgentak die je in de grond steekt groeit in korte tijd uit tot een boom.

 

1e zondag Veertigdagentijd

Mattheus 4: 1  Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn.
Matteüs 4: 1-11   Jezus in de woestijn
1Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. 2Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had Hij grote honger. 3Toen kwam de beproever naar Hem toe en zei: ‘Als U de Zoon van God bent, beveel die stenen dan in broden te veranderen.’ 4Maar Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.”’ 5Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, zette Hem op het hoogste punt van de tempel 6en zei tegen Hem: ‘Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal Hij opdracht geven om U op hun handen te dragen, zodat U uw voet niet zult stoten aan een steen.”’ 7Jezus antwoordde: ‘Er staat ook geschreven: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’ 8De duivel nam Hem opnieuw mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde Hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht 9en zei: ‘Dit alles zal ik U geven als U zich voor mij neerwerpt en mij aanbidt.’ 10Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem.”’ 11Daarna liet de duivel Hem met rust, en meteen kwamen er engelen om Hem te dienen.

De Veertigdagentijd is een tijd van inkeer en bezinning. Deze tijd kunnen we zien als een woestijnreis. Een periode van soberheid of duurzamer leven. Op de eerste zondag gaat de bijbellezing traditiegetrouw over de verzoekingen in de woestijn. Jezus wordt door de Geest naar de woestijn gebracht. Hij ontmoet de duivel, de tweespaltdrijver, die Hem verleidt. In ons menselijke bestaan lopen we door negatieve krachten in de wereld of door gedachten het risico van Gods weg af te raken. Zoals het stemmetje op je schouder: ‘Ach, je hebt het ook niet makkelijk, denk nu maar even aan jezelf.’ Laat je niet afleiden door verleidingen. Jezus laat zien dat je ‘nee’ kunt zeggen. Hij beroept zicht op Gods Woord. In het doopverhaal, even eerder, was de Geest in de gedaante van een duif op Jezus neergedaald. De stem van God had geklonken: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind ik vreugde.’ Dat was de basis voor de levensweg van Jezus.
Voor ons geldt: sta open voor de wegen waarop de Geest ons brengt. Sta open voor de werking van de Geest midden in het leven, in onze omgeving.

Basissymboliek Veertigdagentijd 2026
Rode draad in de schikkingen is ‘de Geest waaiert breed uit’.

We kozen voor een tweedimensionale waaier met in het midden van de waaier een vaas waarin elke keer andere bloemen, takken of andere materialen geplaatst worden. De waaier suggereert beweging die we misschien niet altijd ervaren. In sommige culturen (Japans) is de waaier bedoeld om te communiceren.
In spirituele context heeft de waaier een symbolische betekenis. Zo wordt in de Chinese feng shui de waaier beschouwd als symbool van geluk en voorspoed.
Deze drie symbolische bronnen samenvattend kun je zeggen dat voor ons de waaier staat voor beweging en communicatie op weg naar een andere toekomst, een nieuw begin.